Box 3 en verhuurd vastgoed: wat weten we nu richting 2028?

15 september 2026

Verhuurd vastgoed kan op papier een aantrekkelijk rendement opleveren, terwijl na belasting een heel ander beeld ontstaat.


Dat geldt zeker voor vastgoed dat privé als belegging wordt gehouden en fiscaal tot box 3 behoort. Niet alleen de huurinkomsten spelen daarbij een rol. Ook de waarde van het vastgoed, financiering, waardestijging en de manier waarop het fiscale rendement wordt berekend kunnen grote invloed hebben op wat een belegging uiteindelijk netto oplevert.


De afgelopen jaren is box 3 bovendien steeds ingewikkelder geworden. Naast het bestaande forfaitaire stelsel geldt inmiddels de tegenbewijsregeling: wanneer het werkelijk rendement over het totale box 3-vermogen lager is dan het forfaitair berekende rendement, kan onder voorwaarden met dat lagere werkelijke rendement rekening worden gehouden.


Tegelijkertijd werkt de overheid aan een nieuw stelsel waarin het werkelijke rendement centraal moet komen te staan.


Daarover is inmiddels veel politieke discussie ontstaan.


Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is wel door de Tweede Kamer aangenomen, maar nog niet definitief. De behandeling in de Eerste Kamer is nog niet afgerond en na Prinsjesdag 2026 is duidelijk dat ook de verdere vormgeving van het nieuwe stelsel opnieuw ter discussie staat.


Daarmee is niet alleen de precieze uitwerking, maar ook de route naar invoering vanaf 2028 minder zeker geworden.


Voor vastgoedeigenaren roept dat logische vragen op.


Is verhuurd vastgoed in box 3 nog aantrekkelijk?


Heeft het zin om met verkoop of aankoop rekening te houden met een mogelijk nieuw stelsel?


Hoe worden huurinkomsten en waardestijging straks belast?


En verandert daardoor de afweging tussen privébezit en vastgoed in een BV?


Op die vragen bestaat op dit moment geen algemeen antwoord.


De toekomstige wetgeving is nog niet definitief en de fiscale behandeling is bovendien slechts één onderdeel van een vastgoedbeslissing. Huur, financiering, onderhoud, waardeontwikkeling, leegstandsrisico en alternatieve investeringsmogelijkheden blijven minstens zo belangrijk.


De relevante vraag is daarom niet alleen hoeveel box 3-belasting u betaalt, maar wat er na belasting, kosten en risico werkelijk van het rendement op uw vastgoed overblijft.

Eerst het onderscheid: wanneer valt vastgoed eigenlijk in box 3?


Een verhuurde woning, tweede woning, garage, terrein of ander particulier gehouden vastgoed kan tot het box 3-vermogen behoren.


Maar privébezit betekent niet automatisch dat vastgoed altijd in box 3 valt.


Wanneer de activiteiten verder gaan dan normaal vermogensbeheer, kan het fiscale resultaat bijvoorbeeld in box 1 terechtkomen als resultaat uit overig werk. In sommige situaties kan zelfs sprake zijn van winst uit onderneming.


De Belastingdienst noemt bijvoorbeeld het verbouwen en uitponden van een pand in afzonderlijke appartementen, het voor ten minste 30% zelf uitvoeren van groot onderhoud of aanpassingen en het benutten van bijzondere kennis om voordeel te behalen als situaties waarin sprake kan zijn van meer dan normaal vermogensbeheer.


Ook vastgoed dat door een BV wordt gehouden kent een andere fiscale behandeling.


Of vastgoed in box 3 valt, wordt dus niet alleen bepaald door het type vastgoed, maar vooral door de wijze waarop het wordt gehouden en de activiteiten die ermee worden verricht.


Daarom kan box 3 relevant zijn voor woningen, maar ook voor een privé gehouden kantoor, winkelpand, bedrijfsruimte, garagebox of perceel.

Hoe wordt verhuurd vastgoed in 2026 belast?


In het forfaitaire box 3-stelsel wordt niet rechtstreeks uitgegaan van de werkelijke huurinkomsten of de daadwerkelijke exploitatiekosten van een vastgoedobject.


Voor de voorlopige aanslag 2026 rekent de Belastingdienst voor beleggingen en overige bezittingen met een forfaitair rendement van 6,00%. Voor schulden wordt gerekend met 2,70%. Het box 3-tarief bedraagt 36% en het heffingsvrije vermogen € 59.357 per persoon.


De rendementspercentages die voor de voorlopige aanslag 2026 worden gebruikt, zijn nog voorlopig.


Dat betekent dat twee vastgoedobjecten met een vergelijkbare box 3-waarde in de forfaitaire berekening fiscaal vrijwel hetzelfde kunnen worden behandeld, terwijl hun economische prestaties sterk verschillen.


Een goed verhuurd pand met een hoge huur kan bijvoorbeeld naast een object staan met een lage huur, veel onderhoud of leegstand.



Het forfait kijkt niet rechtstreeks naar die verschillen in de feitelijke exploitatie.


Daardoor kunnen de forfaitaire fiscale uitkomst en de vastgoedtechnische werkelijkheid behoorlijk uiteenlopen.

Bij verhuurde woningen speelt ook de leegwaarderatio


Voor woningen die op de peildatum verhuurd zijn en waarbij de huurder recht heeft op huurbescherming, kan onder voorwaarden een lagere waarde dan de volledige WOZ-waarde in box 3 worden gehanteerd.


Daarvoor geldt de zogenoemde leegwaarderatio.


De leegwaarderatio hangt af van de verhouding tussen de kale jaarhuur en de WOZ-waarde. Voor 2026 wordt, afhankelijk van die verhouding, tussen 73% en 100% van de WOZ-waarde in aanmerking genomen.


Sinds 2023 geldt de leegwaarderatio niet meer voor tijdelijk verhuurde woningen.


Ook geldt sinds 2023 dat bij verhuur aan een gelieerde partij tegen voorwaarden die niet tussen onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, in beginsel wordt uitgegaan van 100% van de WOZ-waarde.


Dat maakt de huurprijs bij woningen op een bijzondere manier fiscaal relevant.


Niet doordat de ontvangen huur binnen de forfaitaire berekening rechtstreeks wordt belast, maar doordat de hoogte van de huur onder voorwaarden invloed kan hebben op de fiscale waardering van de verhuurde woning.


Voor bijvoorbeeld een privé gehouden kantoorpand, winkelpand of andere niet-woning geldt deze specifieke leegwaarderatio niet.

Dan komt het tegenbewijs: werkelijk rendement


Naast de forfaitaire berekening bestaat inmiddels de mogelijkheid om het werkelijke rendement door te geven.


Op grond van de Wet tegenbewijsregeling box 3 hoeft niet méér box 3-belasting te worden betaald wanneer het werkelijke rendement over het totale box 3-vermogen lager is dan het forfaitair berekende rendement.


Vanaf belastingjaar 2025 kan het werkelijke rendement rechtstreeks via de aangifte inkomstenbelasting worden doorgegeven.

De Belastingdienst vergelijkt vervolgens de forfaitaire berekening met het werkelijke rendement en gebruikt de voor de belastingplichtige meest gunstige uitkomst.


Dat klinkt op het eerste gezicht logisch.


Maar juist bij vastgoed zit daar een belangrijk verschil met wat in het dagelijks taalgebruik onder “rendement” wordt verstaan.

Werkelijk rendement is niet hetzelfde als netto huur


Bij de huidige tegenbewijsregeling telt bij verhuurd vastgoed niet alleen de ontvangen kale huur mee.


Ook de waardestijging of waardedaling van het vastgoed gedurende het kalenderjaar behoort tot het werkelijke rendement.


Daarvoor hoeft het vastgoed niet eerst te zijn verkocht.


Tegelijkertijd mogen reguliere kosten in beginsel niet worden afgetrokken. Onderhoudskosten van een woning of ander box 3-bezit zijn bijvoorbeeld niet aftrekbaar.


Betaalde rente over een box 3-schuld vormt daarop een belangrijke uitzondering.


Ook bestaat een specifieke correctie voor investeringen in een woning die aantoonbaar tot een hogere WOZ-waarde hebben geleid. Die correctie geldt alleen onder voorwaarden, waaronder dat de investering bij de gemeente is gemeld.


Bij de berekening van het werkelijke rendement geldt bovendien geen heffingsvrij vermogen. Het werkelijke rendement wordt beoordeeld over het totale box 3-vermogen.


Winsten en verliezen binnen hetzelfde jaar worden daarbij met elkaar verrekend. Is het totale werkelijke rendement over dat jaar negatief, dan wordt dit voor de berekening op nul gesteld.


Een negatief werkelijk rendement kan onder de huidige regeling niet naar een ander jaar worden doorgeschoven.


Daarmee kan een opvallende situatie ontstaan:


Een vastgoedobject kan operationeel een bescheiden rendement hebben, maar fiscaal toch een hoog werkelijk rendement laten zien doordat het vastgoed in waarde stijgt.


Andersom kan een jaar met waardedaling juist tot een aanzienlijk lager werkelijk rendement leiden.

Vanaf 2026 speelt bij eigen gebruik nog een extra regel


Bij een tweede woning of andere onroerende zaak die geheel of gedeeltelijk voor eigen gebruik beschikbaar is, geldt vanaf 2026 binnen de berekening van het werkelijke rendement een bijtelling eigen gebruik.


Daarbij kan worden uitgegaan van de economische huurwaarde of worden gekozen voor een forfait van 5,06% van de WOZ-waarde, naar rato van het aantal dagen waarop het vastgoed voor eigen gebruik beschikbaar is.


Daarbij gaat het niet alleen om dagen waarop de eigenaar het vastgoed daadwerkelijk gebruikt. Ook dagen waarop het voor eigen gebruik beschikbaar is, maar feitelijk niet wordt gebruikt, tellen mee.


Voor dagen waarop de onroerende zaak daadwerkelijk wordt verhuurd of verpacht, geldt deze bijtelling niet.


Voor permanent verhuurd vastgoed zal deze regel dus meestal geen hoofdrol spelen, maar bij bijvoorbeeld vakantie- of deels zelf gebruikt vastgoed kan hij wel relevant zijn.

Een eenvoudig voorbeeld


Stel dat een particulier een verhuurd vastgoedobject bezit met een waarde van € 500.000 en een box 3-schuld van € 200.000.


De jaarlijkse huur bedraagt € 30.000.


De eigenaar betaalt in dat jaar € 8.000 rente over de box 3-schuld en € 10.000 aan regulier onderhoud. Het vastgoed stijgt gedurende dat jaar € 20.000 in waarde.


Voor een sterk vereenvoudigde illustratie van het huidige werkelijke rendement van dit vastgoed ontstaat dan:


€ 30.000 huur
+ € 20.000 waardestijging
– € 8.000 rente
= € 42.000 werkelijk rendement


De € 10.000 aan regulier onderhoud verlaagt dit fiscale werkelijke rendement in beginsel niet.


Economisch houdt de eigenaar uiteraard wél rekening met die € 10.000 onderhoud.


Zijn kasstroom en zijn fiscale werkelijke rendement vertellen daardoor twee verschillende verhalen.


Daalt het vastgoed in hetzelfde voorbeeld juist € 20.000 in waarde, dan verandert ook de fiscale uitkomst sterk.


Dit voorbeeld is bewust vereenvoudigd. Voor de tegenbewijsregeling wordt uiteindelijk gekeken naar het werkelijke rendement over het totale box 3-vermogen en voor vastgoed gelden specifieke waarderingsregels.


Maar het centrale punt blijft:


Fiscaal werkelijk rendement en economisch netto rendement zijn in het huidige systeem niet hetzelfde begrip.

Richting 2028: werkelijk rendement blijft het uitgangspunt, maar de route is onzeker


Het kabinet wil nog steeds toe naar een box 3-stelsel waarin het werkelijke rendement centraal staat.


De beoogde invoeringsdatum blijft vooralsnog 1 januari 2028.


Maar na Prinsjesdag 2026 is veel minder zeker geworden hoe dat nieuwe stelsel er uiteindelijk uit zal zien.


Het bestaande wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is in februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen. De Eerste Kamer heeft het voorstel nog niet aangenomen. Het kabinet heeft de Eerste Kamer inmiddels gevraagd de behandeling voorlopig aan te houden, omdat voor verdere aanpassingen van box 3 nog geen breed politiek draagvlak bestaat.


Daarmee liggen verschillende routes open.


Het huidige wetsvoorstel kan worden aangepast en vervolgens vanaf 2028 worden ingevoerd. Het kan ook als tussenstap worden gebruikt om later door te groeien naar een bredere vermogenswinstbelasting. Een andere mogelijkheid is dat het voorstel wordt ingetrokken en het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijs langer blijft bestaan.


Ook wordt onderzocht of vanaf 2028 voor veel meer vermogensbestanddelen een vermogenswinstbelasting kan gaan gelden.


Voor vastgoed is dat onderscheid bijzonder relevant.


In het huidige wetsvoorstel geldt voor onroerende zaken namelijk al een vermogenswinstbelasting. De werkelijke huurinkomsten en in beginsel ook relevante kosten gaan daarbij een directe rol spelen, terwijl de waardestijging van het vastgoed niet ieder jaar wordt belast maar in beginsel pas wanneer die winst wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop.


Dat verschilt wezenlijk van de huidige tegenbewijsregeling. Daar kan ook een ongerealiseerde waardestijging gedurende het jaar meetellen bij het werkelijke rendement.


Voor vastgoedeigenaren blijft 2028 daardoor een belangrijk ijkpunt, maar het is op dit moment te vroeg om investerings- of verkoopbeslissingen te baseren op de veronderstelling dat het nieuwe box 3-stelsel al definitief vaststaat.


De komende maanden zal eerst duidelijk moeten worden welke route politiek voldoende steun krijgt en welke wetgeving uiteindelijk wordt aangenomen.

Wat betekent dit voor verhuurd vastgoed?


Een nieuw box 3-stelsel maakt verhuurd vastgoed niet automatisch aantrekkelijker of onaantrekkelijker.


De gevolgen kunnen juist sterk verschillen per object en per eigenaar.


Een pand met een hoge en stabiele huur, beperkte kosten en weinig financiering kan onder een stelsel van werkelijk rendement heel anders uitpakken dan vastgoed met een lage netto kasstroom, hoge onderhoudslasten of veel vreemd vermogen.


Ook de behandeling van waardeontwikkeling speelt daarbij een belangrijke rol.


In het huidige wetsvoorstel is voor vastgoed in beginsel een vermogenswinstbelasting voorzien. Waardestijging wordt daarbij niet jaarlijks belast, maar in beginsel pas wanneer die winst wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop.


Als die systematiek uiteindelijk wordt ingevoerd, kan dat invloed hebben op het moment waarop een eigenaar besluit te verkopen, te herinvesteren of vastgoed juist langer aan te houden.


Maar na Prinsjesdag 2026 is juist de definitieve vorm van het toekomstige box 3-stelsel minder zeker geworden. Het is daarom te vroeg om vastgoedbeslissingen uitsluitend te baseren op één veronderstelde fiscale uitkomst vanaf 2028.


Fiscaliteit verandert bovendien niets aan een fundamenteel uitgangspunt:


Een vastgoedobject dat vóór belasting economisch zwak presteert, wordt door een gunstiger belastingregime niet vanzelf een goede belegging.


En omgekeerd kan vastgoed met een sterke exploitatie, goede locatie en toekomstbestendige gebruikersvraag ook bij een hogere belastingdruk aantrekkelijk blijven.


Daarom moet de beoordeling uiteindelijk breder zijn dan box 3 alleen.

Binnenhof in Den Haag bij artikel over Box 3 en verhuurd vastgoed

Na Prinsjesdag 2026: 2028 is nog geen zekerheid


Prinsjesdag 2026 heeft voor box 3 nog geen definitieve oplossing gebracht.


Het kabinet heeft besloten om nu geen novelle in te dienen bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. De financiële dekking voor de eerder onderzochte aanpassingen ontbreekt en de besluitvorming over aanpassing van het bestaande wetsvoorstel of een mogelijk andere route wordt doorgeschoven naar het voorjaar van 2027.


Het wetsvoorstel dat in februari 2026 door de Tweede Kamer is aangenomen, blijft daardoor voorlopig aangehouden in de Eerste Kamer.


Het streven blijft om uiteindelijk over te gaan naar een box 3-stelsel waarin het werkelijke rendement centraal staat.

Maar de precieze vorm daarvan staat nog niet vast.

Ook invoering per 1 januari 2028 kan daarom op dit moment niet als zekerheid worden beschouwd.


Voor vastgoedeigenaren is dat een belangrijk verschil.


Het huidige wetsvoorstel bevat voor onroerend goed een systematiek waarbij onder meer huurinkomsten en kosten rechtstreeks een rol spelen en waardestijging in beginsel pas bij realisatie wordt belast. Maar zolang de politieke besluitvorming niet is afgerond, kan niet worden aangenomen dat precies deze systematiek vanaf 2028 daadwerkelijk gaat gelden.


Beslissingen over verkopen, aanhouden, financieren of herstructureren moeten daarom niet worden gebaseerd op één verondersteld box 3-stelsel vanaf 2028.


Prinsjesdag heeft de richting naar belastingheffing over werkelijk rendement niet weggenomen, maar de route ernaartoe juist opnieuw onzeker gemaakt.

Moet u vanwege box 3 nu verkopen?


De onzekerheid rond box 3 kan de neiging oproepen om nu alvast te handelen.


Maar onzekerheid over toekomstige belastingwetgeving is op zichzelf geen goede reden om vastgoed te verkopen.


Een verkoop kan logisch zijn wanneer de netto exploitatie onder druk staat, grote investeringen aankomen, de verhuurbaarheid verslechtert of de huidige verkoopwaarde aantrekkelijker is dan het verwachte rendement van langer aanhouden.


Andersom kan juist behouden aantrekkelijk zijn wanneer een object een sterke kasstroom heeft, weinig investeringen vraagt, goed financierbaar is en op een locatie ligt waar structurele vraag naar het vastgoed bestaat.


Ook het moment van verkoop verdient aandacht. Wie verkoopt, maakt niet alleen een fiscale keuze, maar ruilt vastgoed in voor vrij beschikbaar kapitaal dat vervolgens opnieuw moet worden ingezet.


Daar komt nu bij dat de fiscale situatie vanaf 2028 nog niet definitief vaststaat. Een verkoopbeslissing uitsluitend baseren op een verondersteld toekomstig box 3-stelsel betekent daarom dat wordt gehandeld op basis van regels die nog kunnen veranderen.


De relevante vergelijking is daarom niet:


Betaal ik vanaf 2028 meer of minder box 3-belasting?


maar:


Welk netto rendement verwacht ik met dit vastgoed, na belasting, kosten en risico — en welk rendement kan ik met het vrijgekomen kapitaal elders realiseren?

Privé houden of vastgoed in een BV?


De discussie over box 3 leidt al snel tot de vraag of vastgoed niet beter in een BV kan worden gehouden.


Maar ook die vergelijking is minder eenvoudig dan zij soms wordt voorgesteld.


Vastgoed in een BV valt niet in box 3. De fiscale winst van de BV wordt belast met vennootschapsbelasting. In 2026 bedraagt het tarief 19% over de eerste € 200.000 belastbare winst en 25,8% over het meerdere.


Daarmee is de belastingheffing echter niet altijd afgerond.


Wanneer winst vervolgens als dividend naar privé wordt uitgekeerd aan een aandeelhouder met een aanmerkelijk belang, kan ook belasting in box 2 verschuldigd zijn. In 2026 geldt daarvoor een tarief van 24,5% tot € 68.843 en 31% over het meerdere.


Zolang winst binnen de BV blijft en bijvoorbeeld wordt gebruikt voor nieuwe investeringen, vindt over die ingehouden winst niet automatisch direct box 2-heffing plaats. Dat kan relevant zijn voor beleggers die opbrengsten langdurig binnen een vastgoedstructuur willen herinvesteren.


Daar staat tegenover dat binnen een BV de daadwerkelijke fiscale winst centraal staat en zakelijke kosten in beginsel onderdeel zijn van de winstberekening, binnen de daarvoor geldende fiscale regels en beperkingen.


De juiste vergelijking is daarom niet simpelweg box 3 tegenover het tarief van de vennootschapsbelasting.


Ook financiering, kosten, waardestijging, verwachte bezitsduur, eventuele herinvesteringen en de vraag of opbrengsten in de BV blijven of uiteindelijk naar privé worden uitgekeerd spelen mee.


Bovendien kan het onderbrengen van reeds privé gehouden vastgoed in een BV zelf fiscale en transactiekosten met zich meebrengen. Een bestaande vastgoedpositie kan daarom niet zonder meer fiscaal neutraal van privé naar een BV worden verplaatst.


De optimale eigendomsstructuur moet dus worden beoordeeld over de gehele looptijd van de investering, niet alleen op basis van de belastingdruk in één jaar.

Wat moet u vóór een beslissing inzichtelijk maken?


Voordat box 3 aanleiding wordt om vastgoed te verkopen, anders te financieren of de eigendomsstructuur te wijzigen, moet eerst duidelijk zijn hoe het vastgoed economisch werkelijk presteert.


Daarvoor zijn minimaal een aantal zaken van belang.


1. De netto exploitatie

Niet alleen de bruto huur, maar de inkomsten na onderhoud, beheer, leegstand, niet-doorbelaste kosten en andere eigenaarslasten.


2. De toekomstige investeringen

Welke technische, energetische of commerciële investeringen zijn de komende jaren nodig om het vastgoed courant en verhuurbaar te houden?


3. De financiering

Hoeveel vreemd vermogen is aanwezig, tegen welke rente, wanneer moet worden geherfinancierd en wat betekent dat voor de toekomstige kasstroom?


4. De waarde en het verkooppotentieel

Wat kan het vastgoed vandaag opleveren, zowel in verhuurde staat als eventueel bij mutatie, uitponding of een andere positionering?


5. De fiscale positie

Wat betekent het huidige box 3-stelsel voor het netto rendement, welke invloed heeft de tegenbewijsregeling en hoe gevoelig is de investering voor verschillende mogelijke fiscale regimes vanaf 2028?


6. Het alternatief voor het kapitaal

Wat gebeurt er wanneer het vastgoed wordt verkocht? Kan het vrijkomende vermogen elders tegen een aantrekkelijker rendement en vergelijkbaar of lager risico worden ingezet?


Pas wanneer die onderdelen gezamenlijk worden doorgerekend, ontstaat een zinvolle vergelijking tussen behouden, verbeteren, herstructureren of verkopen.


Box 3 kan de uitkomst van die vergelijking beïnvloeden. Het mag niet de enige variabele zijn waarop de beslissing wordt gebaseerd.

Niet box 3, maar het rendement na belasting bepaalt de strategie


Box 3 heeft de afgelopen jaren veel aandacht gekregen en de komende jaren zal dat niet anders zijn.


Voor particuliere vastgoedeigenaren is die aandacht terecht. Het huidige stelsel kan sterk afwijken van de economische werkelijkheid van een vastgoedobject. Tegelijkertijd wil de overheid nog steeds toe naar belastingheffing over werkelijk rendement, maar is na Prinsjesdag 2026 opnieuw onzeker geworden hoe dat toekomstige stelsel precies wordt vormgegeven en wanneer het definitief kan worden ingevoerd.


Maar fiscaliteit blijft één onderdeel van de totale vastgoedbeslissing.


Een object met een sterke huurpositie, beperkte toekomstige investeringen en goede vooruitzichten kan ook onder een minder gunstig fiscaal regime aantrekkelijk blijven. Een zwak presterend object wordt daarentegen niet automatisch een goede belegging omdat de belastingdruk gunstiger uitvalt.


Verkopen, behouden, verbeteren of de eigendomsstructuur wijzigen begint daarom niet met de vraag welke fiscale structuur de laagste belastingdruk oplevert.


Het begint met inzicht in wat het vastgoed economisch oplevert, welke risico’s eraan verbonden zijn en welke alternatieven er voor het geïnvesteerde kapitaal bestaan.


De beste vastgoedstrategie is niet de strategie met de laagste belastingdruk, maar de strategie die na belasting, kosten en risico het beste rendement op het beschikbare kapitaal oplevert.


Juist omdat de toekomstige vorm van box 3 nog niet definitief vaststaat, is het verstandig om grote vastgoedbeslissingen niet vooruit te laten lopen op één verondersteld belastingstelsel, maar verschillende scenario’s door te rekenen en de verdere politieke besluitvorming nauwgezet te volgen.

Bronnen


[1] Belastingdienst – Box 3: berekening voorlopige aanslag 2026.
Voor de forfaitaire rendementspercentages in 2026, het Box 3-tarief en het heffingsvrije vermogen.


[2] Belastingdienst – Wat is mijn werkelijk rendement?
Voor de tegenbewijsregeling, huurinkomsten, waardeveranderingen, rente, kosten en de bijtelling voor eigen gebruik vanaf 2026.


[3] Belastingdienst – Waarde verhuurde of verpachte woning.
Voor de leegwaarderatio en de percentages die in 2026 gelden voor verhuurde woningen.


[4] Belastingdienst – Vermogensbeheer waarvoor u meer werkzaamheden uitvoert dan normaal.
Voor het onderscheid tussen normaal vermogensbeheer en situaties waarin resultaat uit overig werk kan ontstaan.


[5] Belastingdienst – Tarieven vennootschapsbelasting en Box 2 in 2026. (Link box 2 tarieven)
Voor de vergelijking tussen privé gehouden vastgoed en vastgoed dat via een BV wordt gehouden.


[6] Rijksoverheid – Plannen voor heffing op werkelijk rendement in Box 3.
Voor de hoofdlijnen van het voorgestelde nieuwe Box 3-stelsel en de beoogde invoering per 1 januari 2028.


[7] Rijksoverheid – Tijdlijn Wet werkelijk rendement Box 3.
Voor de actuele ontwikkelingen en mogelijke aanpassingen richting het Belastingplan 2027.


[8] Eerste Kamer – Wet werkelijk rendement Box 3.
Voor de actuele parlementaire behandeling van het wetsvoorstel.

Laat uw vastgoed beter presteren


ImmoGroep ondersteunt vastgoedeigenaren bij verhuurbaarheid, exploitatie, positionering en commerciële optimalisatie. Wilt u weten waar binnen uw vastgoed kansen liggen? We denken graag met u mee.

Meer inzichten

Stedelijk vastgoed met appartementen en commerciële gebouwen
15 september 2026
Wat is de beste strategie voor verhuurd vastgoed? Ontdek wanneer behouden, verbeteren, herpositioneren of verkopen economisch de beste keuze voor uw vastgoed is.
Bovenaanzicht van flexibel ingerichte kantoorruimte met werkplekken voor meerdere gebruikers
1 september 2026
Eén grote huurder of meerdere kantoorunits? Ontdek hoe huur, bezetting, investeringen, risico en unitmix het rendement van kantoorruimte in de praktijk bepalen.
Bekijk alle artikelen